Werkzaamheden
Omhoog

 

 

Indeling Wijngaard

Als bepaald is met welke druivensoorten de wijngaard wordt beplant moet er een indeling van de wijngaard worden gemaakt. De volgende vuistregels moeten hierbij in acht genomen worden.

Normaal gesproken wordt een wijngaard opgebouwd uit een aantal rijen waarlangs de druiven groeien. De tussenafstand van deze rijen wordt bepaald door de mate waarin het zonlicht de druiventrossen van elke afzonderlijke rij  kan bereiken. De totale hoogte van een rij speelt dus een grote rol hierin. Voor de breedte van de rijen geldt het volgende:

De rij afstand moet minstens de loofwand hoogte (totale hoogte stamhoogte) x 1,2 + de dikte van de loofwand zijn. Dit geldt voor rode soorten. Voor de witte soorten geldt loofwand hoogte + de dikte van de loofwand. In de praktijk wordt voor rode soorten een rij breedte van 1,8m a 2,1m en voor witte soorten een rij breedte van 1,6m a 1,9m aangehouden. Dit ook in verband met de bereikbaarheid van de wijngaard vanwege de diverse werkzaamheden, al dan niet machinaal.

De benodigde breedte zorgt er voor dat alle druiven goed belicht worden en dat er weinig schaduw werking ontstaat van de naast liggende rij. 

De rij breedte is nu bepaald, de onderlinge afstand van de aan te planten druiven in een rij is nu een volgende stap om tot de definitieve indeling van de wijngaard te komen.

Uit onderzoek is gebleken dat er een optimale opbrengst bestaat voor een gemiddelde grondsoort in verband met de aanwezige voedingsstoffen en mineralen. Deze opbrengst ligt gemiddeld bij 7 8 ogen per vierkante meter.

Hiermee wordt bedoeld dat er per vierkante meter 7 8 scheuten mogen groeien waaraan later de druiventrossen groeien.

Dit betekent bij een breedte tussen de rijen van 1,75 meter 12 14 ogen per strekkende meter.

Wordt er nu om de meter een druivenstok geplant dan dient deze ten minste tot op 12 14 ogen te worden terug gesnoeid in de winter.

Als bepaald is hoe de wijngaard er uit gaat zien aan de hand van de rij breedte en de richting van de rijen kan het geleidingssysteem voor de druiven worden aangebracht.

Nadat de grond is bewerkt door om te spitten of om te ploegen worden de palen geslagen en de draden aangebracht voordat de druiven worden geplant.  

De palen hebben een lengte van 2,5 2,75 meter en worden met een tussenafstand van maximaal 4 meter ten opzichte van elkaar geplaatst. Deze palen worden zover de grond ingeslagen dat de bovenkant ongeveer 1,85 meter boven de grond blijft.

Er zijn diverse manieren voor de geleiding. Meest gebruikelijk is het Guyot systeem of de Halbbogen methode (zie ook snoeien).

 

Guyot systeem Halbbogen methode

 

Bij deze methoden wordt er een stamhoogte aangehouden van 60 cm. Op deze hoogte wordt ook de eerste draad geplaatst. Bij de Halbbogen wordt er 30 cm boven de eerste draad een 2e draad geplaatst. Langs deze draden worden in de winter de takken voor het volgende jaar geleid. Boven deze draden bevinden zich 2 dubbele draden die de uitschietende scheuten moeten gaan geleiden. Bij grotere wijngaarden worden deze draden afneembaar gemaakt, zodat ze na het uitschieten van de scheuten in het voorjaar in een keer bevestigd worden en daarmee de overhangende scheuten in een keer meenemen en vast zetten. Ook kan dit met afstandhouders gebeuren, door deze in te klappen komen de draden naar elkaar toe en klemmen de scheuten vast. Als laatste wordt er aan de bovenkant van de palen een enkel top draad bevestigd, waaraan het bovengedeelte van de scheut wordt bevestigd.

Een geheel ander systeem van geleiding wat vooral in de nieuwe wijnlanden zoals Australi en de Verenigde Staten wordt toegepast is het gordijn systeem. In tegenstelling tot de andere systemen wordt hier de stam tot aan de bovenste draad geleid waarna de nieuwe scheuten niet omhoog maar omlaag groeien. Nadeel is wel dat het een jaar langer duurt voordat de druif zover gegroeid is, dat er geoogst kan worden, aangezien het opkweken van de stam meer tijd kost. Voor een uitgebreide uitleg hierover zie "Sunlight into Wine". 

 

Gordijnsysteem

Tegenwoordig zijn de meeste nieuwe rassen gent op een onderstam van een ander ras. Het nieuwe ras bezit de goede eigenschappen die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de druif en de onderstam zorgt ervoor dat de druif goed groeit en niet gevoelig is voor de druifluis. Deze druifluis heeft een verwoestende invloed gehad op de Europese wijngaarden. Op deze manier worden de voordelen van beide soorten optimaal benut. Voorbeelden van druiven op een onderstam in onze wijngaard zijn Rondo, Regent en Rubens. Riesling en Pinot Noir hebben wel de originele onderstam.

De meest gebruikte onderstam in Nederland voor gente druiven is SO4 (kruising van Vitis berlandieri x Vitis riparia). Deze onderstam heeft een gemiddelde groei en heeft een goede kalkweerstand en is geschikt voor de zwaardere bodems (klei) en heeft een gemiddelde standruimte nodig om goed te groeien.

Planten

Het planten van de druiven kan zowel in het najaar (oktober) als in het voorjaar (van eind april tot eind mei) gebeuren, daarna wordt de grondtemperatuur te hoog en droogt de grond te snel uit. Voor deze periode is er nog teveel kans op nachtvorst.

Het voordeel van het planten in het najaar is dat de wortels van de plant de hele winter de tijd hebben om zich vast te zetten in de omliggende grond, nadeel is dat een zeer koude winter schadelijk kan zijn.

Een tweede voordeel is dat je dan planten koopt die al een seizoen gegroeid hebben en dus gezond zijn, bij een jonge stek in het voorjaar die nog moet uitlopen moet je dit nog maar afwachten.

Zeer jonge planten worden voor het planten terug gesnoeid tot op een oog waaruit de stam zich moet ontwikkelen. (Normaal gesproken koop je een plant die al verder gegroeid is en dan kan deze stap worden over geslagen aan jongere stekken moet meer zorg besteedt worden). Ook kunnen de wortels wat ingekort worden zodat ze niet tijdens het planten uit het gat omhoog komen.

Er moet een gat gemaakt worden van 40 cm diep. Compost mag toegevoegd worden, maar geen scherpe meststoffen, dit ter voorkoming van het verbranden van de wortels.

Wintersnoei

Snoei in het eerste jaar

Voor het snoeien in het eerste jaar zijn er diverse methoden allen afhankelijk van de mate van de groei van een plant.

Sterke groei: De druif heeft gedurende het seizoen de bovenste draad bereikt en steekt er zelfs bovenuit. In dit geval kan de druif tot aan de 2e draad worden gesnoeid en omgebogen tot de 1e draad. In het voorjaar is het handig om de onderste ogen onder de 1e draad te worden verwijderd, om zodoende een onbeschadigde stam te krijgen. Dit dient te gebeuren vlak voor het uitlopen, dan vallen de ogen er het gemakkelijkst af en wordt de stam het minst beschadigd.

Matige groei: De druif wordt terug gesnoeid tot de eerste draad (stamhoogte).

 

  

 

Vervolgens in het voorjaar 3 ogen laten zitten en de rest verwijderen volgens de bovenstaand beschreven manier.

Bij slechte groei: De druif haalt amper de eerste draad. In dit geval de druif terug snoeien tot op 2 ogen en het volgend jaar opnieuw proberen volgens de boven beschreven andere twee methoden.

 

Snoei in het tweede jaar (uitgaande van goede en matige groei)

Afhankelijk van het type snoei (enkel of dubbel Guyot of Halbbogen): dienen de sterkste tak of 2 takken te worden overgehouden. De resterende takken worden geheel weggesnoeid. Voor de zekerheid kan eerst nog een extra reservetak worden overgelaten. De overgebleven tak(ken) worden omgebogen en aangebonden aan de eerste draad. De reservetak kan worden gebruikt als een omgebogen tak breekt, anders wordt de reservetak alsnog gesnoeid. Deze overgebleven tak(ken) worden teruggesnoeid tot op het gewenste aantal ogen (zoals eerder beschreven bij het gedeelte over de indeling van de wijngaard). Hieruit groeien volgend jaar de takken waaraan de eerste trossen gaan groeien.

Het aanbinden van de tak kan gebeuren volgens het Guyot systeem: strak horizontaal langs de onderste draad. Dit heeft later als voordeel dat de druiventrossen allen op dezelfde hoogte zullen gaan groeien. De nieuwe scheuten worden later verticaal opgebonden. Dit heeft voordelen tijdens de pluk en tijdens het snoeien van de rijen. Vooral voor machinale bewerkingen heeft dit grote voordelen en is de belangrijkste reden om deze snoeimethode toe te passen. Ook kan er gekozen worden voor een Halbbogen snoei, hier wordt de tak geleid van de 2e naar de 1e draad. Hierdoor komen de druiventrossen iets meer verspreid in de hoogte te hangen, wel kunnen er vanwege de halfboog meer ogen per strekkende meter overgehouden worden. Het Guyot systeem is geschikt voor een snoeimethode van 8 tot 12 ogen. De Halbbogen methode voor een snoei van 8 tot 16 ogen.

 

 

 

Snoei in het derde en daar op volgende jaren

In de daar op volgende jaren wordt de snoeiwijze van het tweede jaar herhaald door 1 of 2 gezonde takken zo dicht mogelijk bij de stam over te houden en aan te binden volgens de gewenste snoei methode en terug te snoeien tot aan het gewenste aantal ogen.   

 

Het snoeien gebeurt in januari of februari. In deze tijd van het jaar is de plant tot rust gekomen. Voor die tijd vindt er een sapstroom plaats van de takken naar de wortels en na die tijd gaat de sapstroom zich weer in omgekeerde richting bewegen. Op het verkeerde moment snoeien van vooral grotere takken kan verwondingen van de druif ten gevolg hebben, met afsterven als gevolg. Grotere takken worden daarom wat eerder gesnoeid om dit te voorkomen.

Het snoeien mag niet plaatsvinden tijdens een matige of strenge vorstperiode. Dan bestaat er gevaar op invriezing van de plant via de wond.

Zomersnoei

In de zomer wordt er tijdens verschillende perioden gesnoeid en blad verwijderd.

De takken waaraan de druiven groeien kunnen als ze niet gesnoeid worden wel 2,5 of 3 meter lang worden. Deze takken worden gedurende de zomer gesnoeid.

De benodigde lengte van deze takken wordt bepaald door de volgende vuistregel:

Elke druiventros heeft minimaal 7 bladeren nodig om volledig tot ontwikkeling te komen. Normaal gesproken groeien er 2 3 trossen per tak. De bladeren zitten ongeveer om de 10 cm van elkaar. Bij 2 trossen betekent dit dus een minimale lengte van de tak van 1,4 meter en bij 3 trossen een minimale lengte van 2,1 meter. Opgeteld bij de stamhoogte van 60 cm wordt dit een totale hoogte van 2,7 meter bij 3 trossen, wat te hoog wordt.

 

loofwand

 

Zelf denk ik eraan om de takken in plaats van verticaal, diagonaal te laten groeien. Hierdoor kunnen ze langer gehouden worden, zonder dat ze hoog boven de geleidingsdraden uitsteken. Het voordeel hiervan is dat de loofwand hoogte beperkt blijft, waardoor de rij afstand wat dichter op elkaar kan zijn. Het nadeel is dat het snoeien van de kriskras door elkaar lopende scheuten moeilijker is en dus daarom ook niet wordt toegepast bij grotere wijngaarden.

Nadat de hoofdtak gesnoeid is tot op de vereiste lengte zullen zich enkele zijtakken (dieven) gaan ontwikkelen. Deze dieven verbruiken voedingsstoffen die nodig zijn voor het volgroeien van de druif en dienen na het eerste blad (om schade te voorkomen aan de knop voor het volgende jaar) te worden verwijderd. Aan het eind van de zomer kunnen de onderste bladeren van de druif rondom de trossen worden verwijderd. Hierdoor komt er meer zonlicht bij de druiven, wat goed is voor het rijpingsproces. De oude bladeren gaan dan wel af van het aantal benodigde bladeren per tros, maar oude bladeren dragen nauwelijks meer bij tot het produceren van suikers en hun functie wordt vervangen door het eerste blad van de dief die is blijven zitten en rond deze tijd volgroeid is. Ook jonge bladeren verbruiken suiker, dus eventuele nieuwe dieven dienen ook verwijderd te worden.

De optimale suikeropbrengst van een blad wordt bereikt bij een leeftijd van tussen de 30 en 40 dagen van een blad.